Therapeuten zijn net mensen

Nele Stinckens

In het recent nummer van het Tijdschrift voor Psychotherapie (2020) wijzen Tiemens en haar collega’s op enkele veel voorkomende klinische beoordelingsfouten. Psychotherapeuten blijken in het algemeen te optimistisch over het therapieverloop: een verslechtering in psychisch functioneren wordt vaak niet opgemerkt of niet geïnterpreteerd als verslechtering (Hannan et al, 2005). Ook hebben psychotherapeuten de neiging om zichzelf te overschatten. Op de vraag hoe men de eigen klinische vaardigheden en prestaties inschat, beoordeelt de overgrote meerderheid zichzelf als bovengemiddeld goed in vergelijking met collega’s, hetgeen statistisch gezien natuurlijk onmogelijk is (Walfish et al, 2012).


Typeert dit de beroepsgroep van de psychotherapeuten? Hebben zij bepaalde karaktereigenschappen? Of worden zij niet goed opgeleid? In het geheel niet. Psychotherapeuten zijn net mensen en maken bijgevolg ook de gewone menselijke inschattingsfouten. Zo denkt bijvoorbeeld de meerderheid van de mannen dat ze een bovengemiddeld goede chauffeur zijn, het gros van de Franse mannen beoordeelt zichzelf als een uitstekende minnaar en de meeste jongeren gaan ervan uit dat ze minder vatbaar zijn voor Covid-19. Dit effect staat in de consumentenpsychologie bekend als het Lake Wobegon-effect, verwijzend naar een fictief stadje waarin de vrouwen ontzettend sterk zijn, de mannen er goed uitzien en de kinderen een bovengemiddelde intelligentie hebben. Uit onderzoek van Taylor en Brown (1988) blijkt dat deze zelfoverschatting ons een (fictief) gevoel controle en eigenwaarde geeft.


Volgens de dual process theorie van Kahneman (2011) zijn twee cognitieve systemen verantwoordelijk voor de manier waarop mensen zichzelf en de wereld inschatten. Het ene systeem is automatisch, intuïtief en onbewust; het verloopt dus snel, kost weinig inspanning en maakt multitasking mogelijk. Het andere systeem is rationeel en bewust; het verloopt langzaam en bedachtzaam, kost veel inspanning en vraagt veel ‘bandbreedte’.

Hoewel we graag geloven dat we al onze beslissingen bewust en bedachtzaam nemen, plooien we vaak terug op het eerste systeem, zelfs bij belangrijke beslissingen. We maken gebruik van zogenaamde heuristieken, verkorte denkroutes die zijn ingeslepen op basis van eerdere ervaringen, voorkeuren en herinneringen. Hoewel deze ‘shortcurts’ essentieel zijn voor ons functioneren - zonder deze snelle, slordige verwerking zouden we volledig uitgeput geraken, zorgen ze er tegelijk voor dat onze beoordelingen gebiased zijn.


Drie veel voorkomende biases zijn: self-serving bias, de neiging om behaalde successen aan onszelf toe te schrijven en mislukkingen aan externe omstandigheden of aan anderen (“mijn cliënt is afgehaakt, omdat hij niet gemotiveerd was”); self-assessment bias, de neiging om de eigen vaardigheden of kennis hoger in te schatten dan gerechtvaardigd is (“door mijn actieve aanpak heb ik mijn cliënt uit zijn depressie weten te halen”); confirmation bias, het selectief opmerken en verwerken van informatie die de eigen inschatting bevestigen (“na de derde sessie zag ik een kentering en bleek de cliënt meer energie en levenslust te hebben”).


Deze biases zijn niet typisch voor psychotherapeuten, het zijn algemeen menselijke inschattingsfouten die zich niet zomaar laten corrigeren. Maar als hulpverleners deze inschattingsfouten maken, kunnen ze behoorlijke consequenties hebben. Het is dus van belang de eigen inschatting actief en systematisch uit te dagen en het tweede, meer bewuste en bedachtzame evaluatieproces in werking te stellen.

Supervisie, intervisie en het grondig reflecteren over het therapieproces zijn uiteraard belangrijke kwaliteitsgaranties, maar ze zijn helaas onvoldoende omdat ze nog steeds vertrekken van de veronderstellingen en aannames van de psychotherapeut in kwestie. Volgens Tiemens en collega’s is het nodig om het falsificeren van het eigen oordeel actief en systematisch in het therapieproces te betrekken. Dit gebeurt bij de methodiek van het feedbackgericht werken: de cliënt krijgt een expliciete stem en wordt bij regelmaat gevraagd om een inschatting te maken van het verloop van de therapie, het eigen functioneren, de kwaliteit van de werkalliantie, …


In QIT online hebben we dit tot de kern van het therapieproces gemaakt: proces- en outcome metingen kunnen eenvoudig aan het therapietraject worden toegevoegd en feedbackrapporten geven meteen de juiste informatie over cruciale evoluties en belangrijke aandachtspunten. Het helpt de vinger aan de pols te houden en het proces, waar nodig, tijdig bij te sturen.

Hannan, C., Lambert, M.J., Harmon, C., Nielsen, S.L., Smart, D.W., Shimokawa, K. e.a. (2005). A lab test and algorithms for identifying clients at risk for treatment failure. Journal of Clinical Pyschology, 61, 155-163.

Kahneman, D. (2011). Ons feilbare denken. Thinking, fast and slow. Amsterdam: Business Contact.

Taylor, S. E., Brown, J. D. (1988). Illusion and well-being: A social psychological perspective on mental health. Psychological Bulletin, 103 (2), 193–210.

Tiemens, B., Peperkamp-Meuleman, I. & Witteman, C. (2020). Geen maatwerk zonder meetwerk: ROM als correctiemechanisme voor klinische beoordelingsfouten. Tijdschrift voor Psychotherapie, 46(5), 334-347.

Walfish, S., McAlister, B., O’Donnell, P. & Lambert, M.J. (2012). An investigation of self-assessment bias in mental health providers. Psychology Reports, 110, 639-644.