Het afstemmen van psychotherapie op de voorkeuren van de cliënt

Sir William Osler, de vader van de moderne geneeskunde, zei al in 1906: ‘It is much more important to know what sort of patient has a disease than what sort of disease a patient has’. Dit geldt eveneens voor psychotherapie: wat werkt voor de ene cliënt is niet per se helpend voor een andere cliënt. Het is dus van belang om een therapietraject voldoende te personaliseren en het aanbod af te stemmen op hun specifieke karakteristieken, verwachtingen en voorkeuren.


Dit kan enerzijds door nauwgezet de vinger aan de pols te houden tijdens het therapieproces: door systematisch te bevragen wat een cliënt helpend dan wel storend vindt en door open te communiceren over gemeenschappelijke doelen en taken in therapie, wordt de samenwerkingsrelatie sterker en vermindert het risico op drop-out gevoelig.


Maar het kan ook al bij de start van therapie door het expliciet bevragen van de voorkeuren van de cliënt. Het feit dat men een keuze kan maken wat betreft de behandeling werkt sterk motiverend: het vergroot het engagement, het zorgt ervoor dat men actiever participeert en het maakt dat men zich mee verantwoordelijk voelt voor het proces. Omwille van de machtsdynamiek die ook speelt in een therapeutische relatie, gaan cliënten er vaak automatisch van uit dat de therapeut bepaalt hoe en waaraan gewerkt zal worden. Het inbrengen van eigen voorkeuren gebeurt doorgaans niet omdat men de expertise van de therapeut niet wil aantasten. Het schriftelijk kenbaar maken van wat men verlangt of verwacht, is meer acceptabel.


Om die reden ontwikkelden Cooper en Norcross in 2015 een korte multidimensionale zelfrapportageschaal die is opgebouwd rond vier dimensies van voorkeuren: sturing door de cliënt versus door de therapeut, emotionele intensiteit versus emotionele terughoudendheid, gerichtheid op het verleden versus op het heden en warme ondersteuning versus uitdaging.


In het recent nummer van het Tijdschrift voor Persoonsgerichte Experiëntiële Psychotherapie (2021) brengt Arpi Süle verslag uit van een webinar die hij volgde over het personaliseren van psychotherapie. Naast de vragenlijst werd ook uitvoerig aandacht besteed aan de manier waarop deze voorkeuren vervolgens onderwerp van gesprek kunnen vormen: vraag vooral naar sterke voor- en afkeuren - het is vaak gemakkelijker om te zeggen wat men heel fijn vindt of totaal niet wilt; pols ook naar eerdere behandelingen – wat hielp wel en niet; bespreek iemands voorkeuren niet enkel bij de start van therapie maar ook op vooraf bepaalde evaluatiemomenten of wanneer het proces stagneert; houd als therapeut ook rekening met je eigen bereik qua therapeutische mogelijkheden – je hoeft niet in alles mee te gaan wat de cliënt vraagt. Essentieel is vooral dat er een dialoog op gang wordt gebracht tussen cliënt en therapeut over het vormgeven van het hulpverleningsproces waarbij de cliënt actief betrokken raakt. Dit is in lijn met de missie van QIT: de wijsheid van cliënten combineren met de expertise van de therapeut, opdat veranderingsprocessen tot volle bloei komen dankzij gedeeld eigenaarschap.


De Cooper-Norcross Inventory of Preferences (C-NIP) is sinds kort gratis beschikbaar in de bibliotheek van QIT online, zowel in de Nederlandstalige als Engelstalige versie.



Norcross, J. & Cooper, M. (2021). Personalizing pyschotherapy: Assessing and accomodating patient preferences. Washington, DC: American Psychological Assocation.

Süle, A. (2021). Recensie online event: Personalizing pyschotherapy: Assessing and accomodating patient preferences. Tijdschrift Persoonsgerichte Experiëntiële Psychotherapie, 59(2), 114-122.


We are happy to welcome you in the QIT community